Opleiding NGS Sportmassage GOS
 
 

BLESSUREPREVENTIE

Cursusopzet
De cursus blessurepreventie NGS schoolt de cursist in het uitvoeren van een goed functie-onderzoek. Naar aanleiding van de gegevens uit dit functie-onderzoek trekt hij bepaalde conclusies en adviseert de sporter hierna.
In het cursusboek, dat door docenten van de GOS is herschreven, zijn de huidige leerdoelen van het Nederlands Genootschap voor Sportmassage uitvoerig uitgewerkt. Ook is een extra-curriculaire module (geen officiële leerdoelen) “massagetechnieken” toegevoegd. De cursus is modulair van opzet.
Elke module wordt afgesloten met een toets en als alle modules goed zijn afgerond dan doet men een praktijkexamen bij de opleiding. Dit examen wordt afgenomen door examinatoren van het Nederlands Genootschap voor Sportmassage. Een gecommitteerde van het NGS is hierbij aanwezig.
Indien men het examen met goed gevolg aflegt, ontvangt men het NGS diploma Blessurepreventie.

De cursus
De cursus wordt gehouden in het activiteitencentrumcentrum "TITUS BRANDSMA", Tweede Oude Heselaan 386 te Nijmegen.
Vooropleiding voor deze cursus is het diploma sportmassage NGS
.
De cursus bestaat uit 15 leseenheden.

De cursus wordt gehouden op de zaterdagochtend, in principe om de 2 à 3 weken. De lessen beginnen om 08.30 uur en eindigen om 11.30 uur.
Aanvankelijk was de start van de cursus in de tweede week van januari 2017. Doch omdat het NGS enkele aanpassingen doorvoert, is hij nu enigszins vertraagd.
-

Wat zijn de cursuskosten?

Bij aanvang cursus                  - 580,00

De cursusprijs is inclusief het cursusboek en een CD met diapresentatie en is exclusief het examengeld.

De aanmelding geschiedt door het inschrijfformulier volledig ingevuld op te sturen.

Hebt u echter nog aanvullende vragen, neem dan contact met ons op.

Belangrijk
Het benodigd studiemateriaal alsmede het examengeld, dat voldaan moet worden aan de examen organisatie, het Nederlands Genootschap voor Sportmassage, is buiten het cursusgeld gehouden. Indien men de cursus om geldige reden moet afbreken, dan mag deze zonder kosten het daarop volgende jaar afgemaakt worden.

  • hoekmeter;
  • 2 personen weegschaaltjes;
  • huidplooimeter;
  • meetlat met maatverdeling (2 meter);
  • schietlood;
  • ronde stok met maatverdeling (1,5 meter);
  • huidpotlood;
  • enig verband materiaal voor het beoefenen van het bandageren.

Enkele van bovengenoemde zaken kunnen zelf vervaardigd worden. Indien gewenst kan de opleiding behulpzaam zijn bij het gezamenlijk bestellen van het materiaal.

De huidige leerdoelen:

Leseenheid 1

1.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is, moet men in staat zijn om:

  • te verklaren wat men verstaat onder primaire, secundaire en tertiaire preventie;
  • de endogene en exogene factoren te noemen;
  • de blessures te kunnen noemen naar ontstaanswijze;
  • de diverse stadia van spier- en peesletsels te kunnen noemen;
  • de disciplines te kunnen noemen waarvoor blessurepreventie gedaan moet worden en hoe deze bereikt kan worden;
  • op te noemen hoe blessurepreventie bereikt kan worden;
  • te verklaren wat men verstaat onder "Muskelschlingen" en een "Tendomyotische Kette";
  • de spiervezeltypologie te kunnen verklaren en hun specifieke eigenschappen te kunnen noemen;
  • de individu-gerichte blessurepreventie te kunnen verklaren m.b.t. de beroepssport, wedstrijdsport en de recreatie(breedte)sport;
  • de oorzaken te kunnen noemen die aan spierpijn ten grondslag liggen;
  • de opbouw en werking van houdings- en bewegingsspieren te kunnen verklaren;
  • de houdings- en bewegingssturing te kunnen verklaren.

Leseenheid 2

2.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is, moet men de functie en het verloop van de oppervlakkige spieren van de romp, bovenste- en onderste extremiteit op kunnen noemen en aan kunnen wijzen. Alsmede het verloop en functie van de spieren die op lengte en op kracht getest worden. Deze spieren zijn:

Spieren van de romp

  • m. erector spinae - M. quadratus lumborum
    Niet detailleren, wel: er is een zodanig vezelverloop, dat alle bewegingen van de wervelkolom te beïnvloeden zijn.
  • m. trapezius en M. latissimus dorsi.
  • halsspieren:
    - m. sterno-cleido-mastoideus, origo en insertio
    - m. levator scapulae, origo en insertio
    - m. rhomboideus, origo en insertio
    - m. serratus lateralis (anterior)
  • buikspieren
    - tussen thorax en pelvis, origo en insertio
    - apart:
    m. rectus abdominis met schede om tot een samenhangend geheel te kunnen komen
  • functie: beweging en fixatie van de wervelkolom en pelvis.

Spieren bovenste extremiteit

  • de origo, insertio en functie te noemen van de spieren, die de bewegingen uit voeren in de articulatio humeri;
  • de origo, insertio en functie te noemen van de spieren, die de bewegingen uitvoeren in de articulatio cubiti;
  • de origo, insertio en functie te noemen van de spiergroepen, die bepaalde bewegingen uitvoeren in de articulatio radio-carpea.

Spieren onderste extremiteit

  • de origo, insertio en functie te noemen van de spieren, die de bewegingen uit voeren in de articulatio coxae;
  • de origo, insertio en functie te noemen van de spieren, die de bewegingen uitvoeren in de articulatio genus;
  • de origo, insertio en functie te noemen van de spiergroepen, die bepaalde bewegingen uitvoeren in de articulatio talocruralis;
  • de origo, insertio en functie te noemen van de spiergroepen, die bepaalde bewegingen uitvoeren in de articulatio subtalare.

Leseenheid 3

3.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is moet men in staat zijn om:

  • de belangrijke punten uit het functieonderzoek te noemen;
  • een anamnese op te stellen;
  • de punten op te noemen waarop gelet wordt bij een algehele inspectie;
  • een algehele inspectie uit te voeren;
  • de testen te noemen voor het algemene functieonderzoek en deze uit te voeren.

Leseenheid 4

4.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is, moet men in staat zijn om:

  • de statiek en houding van de romp (wervelkolom) te verklaren.
  • punten te noemen die bij de inspectie belangrijk zijn.
  • de inspectie van te romp te doen.
  • de spiertesten en bewegingsuitslagen van de romp te noemen.
  • het functieonderzoek van de romp te doen.

Leseenheid 5

5.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is moet men:

  • belangrijke punten kunnen noemen die bij het functieonderzoek belangrijk zijn.
  • de inspectie van de bovenste extremiteit uit kunnen voeren.
  • de spiertesten en bewegingsuitslagen van de bovenste extremiteit kunnen uitvoeren.

Leseenheid 6

6.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is moet men:

  • belangrijke punten kunnen noemen die bij het functieonderzoek belangrijk zijn.
  • de inspectie van de onderste extremiteit uit kunnen voeren.
  • de spiertesten en bewegingsuitslagen van de onderste extremiteit kunnen uitvoeren t.w.:
  • bewegingsmogelijkheden in het heupgewricht;
  • bewegingsmogelijkheid in en stabiliteit van het kniegewricht;
  • bewegingsmogelijkheid in en stabiliteit van het enkelgewricht.
  • de volgende spieren op lengte te testen:
  • m. rectus femoris;
  • m. iliopsoas;
  • mm. hamstrings;
  • korte en lange adbuctoren;
  • m. gastrocnemius;
  • m. soleus;
  • lange flexoren van de tenen.

Leseenheid 7

7.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is moet men in staat zijn om de volgende begrippen te verklaren:

  • kinesiologie;
  • schakels en ketens;
  • beweginsketen (kinematische keten);
  • waarin het bewegen kinematisch onder te verdelen is.

Leseenheid 8

8.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is moet men de verschillende methoden van rekken kunnen verklaren en overeenkomstig deze principes de rekoefeningen uit kunnen voeren voor de belangrijkste spiergroepen, t.w.:

  • rek- en krachtoefeningen voor de dynamische spiergroepen van de bovenste extremiteit;
  • rek- en krachtoefeningen voor de dynamische spieren van de onderste extremiteit;
  • rek- en krachtoefeningen voor de dynamische spieren van de romp.

Leseenheid 9

9.1 Leerdoelen
Als men deze leseenheid bestudeerd heeft moet men de volgende sportblessures kunnen verklaren (onderkennen):

  • specifieke sportblessures;
  • jumpers knee (apexitis patellae);
  • volleybalknie;
  • ilio-tibiale frictie syndroom;
  • sprintersdisease;
  • gracilis syndroom;
  • fasciitis plantaris;
  • stressfracturen;
  • tenniselleboog;
  • speerwerperselleboog;
  • pitcher's elbow;
  • glass arm;
  • tennisshoulder.
Leseenheid 10

10.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is, moet men in staat zijn om:

  • de punten te noemen die belangrijk zijn bij het bandageren;
  • de verklaringen te geven waarop de werking van een bandage berust;
  • de materialen te noemen en waar en wanneer gebruikt;
  • de basisprincipes van het tapen te noemen;
  • de algemene opbouw van het bandageren te kennen;
  • de algemene regels bij het bandageren van een gewricht te kennen;
  • de algemene regels bij het bandageren van een spier te kennen;
  • de indicaties en contra-indicaties te noemen voor een bandage;
  • belangrijke technische punten te noemen bij een bandage;
  • de verschillende bandagetechnieken te noemen;
  • de bandages te kunnen indelen naar zwaarte;

Leseenheid 11

11.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is moet men de volgende preventieve bandages aan kunnen leggen en op zijn functionaliteit kunnen testen:

Bandages bovenste extremiteit

  • Bandage van het schoudergewricht om de endorotatie te beperken.
  • Bandage van het schoudergewricht om de exorotatie te beperken.
  • Bandage van het ellebooggewricht om de hyperextensie te beperken.
  • Herinneringsbandage voor een tenniselleboog.
  • Bandage voor de elleboog aangelegd op de onderarm (visgraat met tape op de onderarm).
  • Bandage voor het polsgewricht om de palmairflexie te beperken.
  • Bandage voor het polsgewricht om de dorsaalflexie te beperken.
  • Bandage voor de duim om adductie te beperken.
  • Bandage voor de duim om abductie te beperken.

Bandages onderste extremiteit

  • Bandage voor het enkelgewricht om de inversie en eversie te beperken.
  • Bandage voor het enkelgewricht om de plantair/dorsaalflexie te beperken.
  • Bandage voor de kuitspieren.
  • Kniebandage voor laterale en mediale stabiliteit.
  • Kniebandage voor stabiliteit in voor- achterwaartse richting.
  • Kniebandage om exo- en endorotatie te beperken.
  • Bandage voor de kniebuigers (hamstrings).
  • Bandage voor de kniestrekkers.
  • Bandage voor de adductoren van het bovenbeen.
  • Bandage voor strekkers van de voet en de tenen.
  • Bandages als correctie voor de meest voorkomende voetafwijkingen.

Leseenheid 12

12.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd is, moet men inzicht hebben in de inspanningsfysiologie, waardoor training en trainingsleer beter begrepen kunnen worden.

  • functionele veranderingen op korte termijn; functionele veranderingen op lange termijn;
  • inzicht: aanpassing belastbaarheid - belasting;
  • aanpassing van het circulatiesysteem;.
  • verandering in de bloedverdeling;
  • verhouding mechanische energie en warmte-energie.

Leseenheid 13

13.1 Leerdoelen
Als deze leseenheid bestudeerd moet men over summier kennis beschikken van:

  • trainingsopbouw - afbouw;
  • trainingsintensiteit;
  • trainingseffect - supercompensatie - overload;
  • trainingsregelmaat;
  • overtraining

Aandeel masseur in:

  • symptomen;
  • oorzaken;
  • maatregelen;
  • voorbereidingsperiode;
  • training en wedstrijd;
  • trainingsvrije periode;
  • na wedstrijd en training.

Effect op de musculatuur en het organisme:

  • algemeen uithoudingsvermogen (steady state);
  • lokaal uithoudingsvermogen;
  • conditie bepalende factoren
  • summier kennis van de meest voorkomende vormen van:
  • krachttraining;
  • intervaltraining;
  • snelheidstraining;
  • duurtraining;
  • circuittraining.
  • warming-up/cooling-down;
  • herstelbevorderende maatregelen;
  • fysiologische aanpassingen:
  • hartfrequentie;
  • longfunctie;
  • warmteregulatie;
  • zenuwstelsel/coordinatie;
  • spier/peesapparaat - opbouw.