Gelderse Opleiding voor Sportmassage
 

 

LES 1 - CEL- en WEEFSELLEER

Als deze leseenheid bestudeerd is, moet men onderstaande punten met betrekking tot cel en weefsel kunnen beschrijven.

De weefsels zijn:

Celleer
- bouw van de cel
- functie organellen
- vegetatieve- en animale verrichtingen
- celdeling
- uitwisseling van stoffen

Dekweefsel

Steun- en bindweefsel:
- bindweefsel
- kraakbeen
- hyalien - elastisch - vezelig
- been    
- verbening - groei - volwassen bot - beenmerg

Spierweefsel
- glad spierweefsel
- dwarsgestreept spierweefsel
- spierfysiologie - spieropbouw - hartspierweefsel

Zenuwweefsel

LES 2 - ALGEMENE ANATOMIE

- Richtingen in de ruimte
- Functie van het geraamte
- Bouw en struktuur van het been alsmede de indelingen
- Hyalien kraakbeen, glad, vervormbaar en veerkracht
- Bouw van een bot: diafyse en epifyse
- Indeling van het geraamte

Skeletverbindingen - gewrichten
- Caput - cavum, congruentie en incongruentie
- Capsula articularis, synovia en ligamenten
- Hulpapparatuur, discus, meniscus en labium-articularis
- Indeling gewrichten naar:        
- samenstelling (enkelvoudig - meervoudig)
- functie (een-, twee- en drie-assig)
- vorm (hoek-, scharnier-, kogel- en nootgewricht)

Spieren
- De specifieke kenmerken van de spieren (macroscopisch)
- Spiervezel, innervatie mede als onderdeel van het begrip motorunit
- Spiervezeltypering, kenmerken.

LES 3 - SKELET HOOFD en ROMP

Van het hoofd moet u de volgende botstukken kunnen noemen:
- os frontale, ossa parietalia, ossa temporalia,  os occipitale; maxilla, mandibula, ossa nasalia.

Van de wervelkolom moet u:
- de verschillende delen en het aantal wervels kunnen noemen;
- de bochten in het frontale en sagittale vlak kunnen noemen;
- de bouw en meest markante verschillen kennen van de verschillende groepen wervels;
- de bouw en verschillen kennen van de eerste en tweede halswervel.

Van de borstkas dient u:
- de beenderen te kunnen noemen.

- Verder moet u de meest plaatsbepalenden aanhechtingspunten voor spieren op de diverse botten kort kunnen
benoemen om het verloop van de spier aan te kunnen geven.

LES 4 - BEWEGINGSLEER

- de gewrichtsassen waarom de bewegingen plaatsvinden kunnen noemen;
- de vlakken waarin de bewegingen plaatsvinden kunnen noemen;
- de spieren in kunnen delen naar functie;
- de begrippen actieve- en passieve insufficientie kunnen verklaren;
- de soorten contracties kunnen noemen en verklaren.

LES 5 - SPIEREN en BEWEGINGEN van de ROMP

De spieren van de romp kunnen noemen, alsmede hun origo, insertio en functie. Deze spieren zijn:
- M. erector spinae
- M. quadratus lumborum
Niet detailleren, wel: er is een zodanig vezelverloop, dat alle bewegingen van de wervelkolom te beïnvloeden zijn.
- M. trapezius
- M. latissimus dorsi.

Halsspieren:
- M. sterno - cleido-mastoideus, origo en insertio
- M. levator scapulae, origo en insertio
- M. rhomboideus, origo en insertio
- M. serratus lateralis (anterior)

Buikspieren:
- Tussen thorax en pelvis, origo en insertio
- Apart: M. rectus abdominis met schede om tot een samenhangend geheel te kunnen komen
- Functie: beweging en fixatie van de wervelkolom en pelvis

Bewegingen:
- de bewegingen van de romp (wervelkolom) kunnen noemen;
- op kunnen noemen in welk gedeelte van de wervelkolom deze bewegingen hoofdzakelijk plaatsvinden;
- de spieren kunnen noemen, die bovengenoemde bewegingen uitvoeren;
- de bochten (curvatuur) kunnen noemen, alsmede de vlakken kunnen noemen waarin deze bochten liggen.

LES 6 - ANATOMIE van de BOVENSTE EXTREMITEIT

- de beenderen van de bovenarm en de onderarm te noemen.
- de beenderen van de hand in groepen te noemen.
- de belangrijkste gewrichten te noemen, alsmede de botstukken waardoor het gewricht gevormd wordt.
- de kenmerken van bovengenoemde gewrichten te noemen als mede de bewegingsuitslagen van deze gewrichten.
- de origo, insertio en functie te noemen van de spieren, die de bewegingen uit voeren in de articulatio humeri.
- de origo, insertio en functie te noemen van de spieren, die de bewegingen uitvoeren in de articulatio cubiti.
- de origo, insertio en functie te noemen van de spiergroepen, die bepaalde bewegingen uitvoeren in de
articulatio radio-carpea.

Bewegingen
Schoudergordel:
- bewegingen in relatie tot bewegingen van de arm ruststand van de gordel.

Art. humeri:
- bewegingen met assen;
- stabilisatie door spieren;
- ligamenten;
- vergroten van bewegingsuitslagen via de bewegingen van de gordel;

Art. cubiti:
- flexie en extensie via art. humero-ulnaris en radialis;
- pro- en supinatie via art. humero-radialis en radio-ulnaris proximalis en distalis; - pro- en supinatie.

Art. manus (art radio-carpea):
- bewegingen dorsaal en palmairflexie, ulnair en radiaalflexie (abductie);

Vingers:
- flexie - extensie, spreiden en sluiten.

LES 7 - ANATOMIE van de ONDERSTE EXTREMITEIT

De beenderen van de bekkengordel en onderste extremiteit tekunnen noemen en de werking verklaren van:
- pelvis, femur, tibia en fibula;
- talus, calcaneus, cuboideum, cuneiforme, metatarsus en falangen (geen details);

Art. coxae: vorm en consequenties;
- ligamenten: .  ilio-femoralis  . inschiofemoralis en pubofemoralis;

Art. genu: samenstelling, vorm en consequenties;
- relatie stabiliteit
- incongruentie gewrichtsvlakken
- menisci; - ligamenten collaterale en cruciata;

Art. talocruralis (bovenste spronggewricht):
- samenstelling, vorm en consequenties;
- ligamenten lateraal en mediaal;

Art. subtalaris (onderste spronggewricht);
- samenstelling talus - calcaneus - naviculare;
- richting van de as eversie - inversie;
- ligamenten in schema: collateraal en tussen de samenstellende skeletdelen; geen verdere detaillering en uitwerking;
- de origo, insertio en functie te noemen van de spieren, die de bewegingen uit voeren in de articulatio coxae.
- de origo, insertio en functie te noemen van de spieren, die de bewegingen uitvoeren in de articulatio genus.
- de origo, insertio en functie te noemen van de spiergroepen, die bepaalde bewegingen uitvoeren in de articulatio talocruralis.
- de origo, insertio en functie te noemen van de spiergroepen, die bepaalde bewegingen uitvoeren in de articulatio subtalare;
- de bewegingsuitslagen, assen en vlakken in de art. coxae en spieren die de beweging uitvoeren;
- de bewegingsuitslagen, assen en vlakken in de art. genu en spieren die de beweging uitvoeren;
- de bewegingsuitslagen, assen en vlakken in de art. talocruralis, art. subtalare en andere belangrijke voetverbindingen en spieren die de beweging uitvoeren;
- korte voetzoolspieren als groep;
- de structuren welke zichtbaar en/of palpabel zijnen direct belangrijk voor reliëf en contour van het “normaal” menselijk organisme.

LES 8 - STOFWISSELING EN VOEDING

- De energiehuishouding kunnen verklaren.
- Doel in standhouden levensprocessen, grondstof- wisseling en arbeidsstofwisseling.
- Verbranding koolhydraten, vetten, eiwitten levert voor 25% mechanische energie en 75% warmte energie.
- Afgifte warmte afhankelijk van klimaat en arbeid.
- De voedingsstoffen en hun eindproducten kunnen noemen.
- Koolhydraten worden afgebroken tot enkelvoudige suikers, vetten tot vetzuren en glycerol en eiwitten tot aminozuren. Zogenaamde dissimilatie processen.
- Kunnen verklaren wat anabolisme en het katabolisme inhoudt.
- Stofwisselingsprocessen op celniveau. We onder- scheiden opbouwstofwisseling tijdens rustfase en afbrekende stofwisseling om energie vrij te maken om arbeid te verrichten.
- De spierstofwisseling kunnen verklaren met name de anaërobe alactische energieleverantie, de anaërobe lactische energieleverantie en de aërobe energie- leverantie.

LES 9 - DE SPIJSVERTERING

1. De onderdelen van het spijsverteringskanaal kunnen noemen, te weten de mondholte (tong, gebit, speekselklieren), de keel-holte met huig en strottenklepje, slokdarm, maag, dunne darm en dikke darm.
2. De hoofdfunctie kunnen noemen van:
- mond (opslag van voedsel, gedeeltelijke vertering);
- maag (maagsappen met enzymen, maagportier);
- dunne darm (twaalfvingerige darm met alvleeskliersap en gal, dunne darm met darmvlokken waardoor een groot resorptie-oppervlak ontstaat, bloedvaatjes met voedingsstoffen via poortader naar de lever);
- dikke darm (peristaltiek vochtresorptie, darmbac teriën zoals colibacterie die van belang is voor vitamine K-vorming);
- lever (eiwitstofwisseling maakt aminozuren tot lichaamseigen eiwitten, suikerstofwisseling, opslag in de vorm van glycogeen, vetstofwis- seling restproduct gal, filter voor gifstoffen zoals alcohol en medicijnen, vorming van trombine, het bloed- eiwit dat een functie vervult bij de stolling).
3. Kunnen aangeven wat assimilatie is (het omzetten van voedingsstoffen in bouwstoffen, ook wel opbouwstof- wisseling of anabolisme genoemd).
4. Kunnen aangeven wat dissimilatie inhoudt (afbraak- stofwisseling of katabolisme van voedingsstoffen waardoor energie vrij komt; brandstoffen hierbij zijn primair koolhydraten, secundair vetten en tertiair eiwitten; eiwitten zijn voornamelijk bouw-stoffen; de opname en afgifte van water is hierbij van groot belang als oplosmiddel van mineralen, eiwitten, hormonen, bloed-lichaampjes. voedingsstoffen, afvalproducten enz.; en handhaving van lichaamstemperatuur).
5. De functie van vitaminen in het algemeen kunnen noemen (het zijn onderdelen van enzymen die als katalysator werken bij 1 stofwisselingsprocessen).
6. De functie van mineralen kunnen noemen (mineralen en sporenelementen hebben dezelfde functie als vitaminen; de behoefte is kleiner; vitaminen en mineralen verhogen de prestatie niet, tekorten leiden wel tot conditie- en weerstandsverlies; belang-rijkste bron is het voedsel; hiervoor is gevarieerde voeding noodzakelijk; vitamine D wordt in de huid gemaakt onder invloed van de zon en is van belang voor de opbouw van bot; bekende vitaminen zijn A, B en C, die in groenten en fruit voorkomen, terwijl vitamine B ook in granen, vlees en vis voorkomt).

LES 10 - HART - BLOEDSOMLOOP

De volgende kenmerken van hart en bloedsomloop kunnen verklaren:

1. De bouw van het hart
Het hart is een holle spier die uit twee boezems boven bestaat en twee kamers onder (twee spieren), gescheiden door een fibreuze ring met vier doorgangen waarin zich kleppen bevinden. De linker en rechter harthelft (een boezem en een kamer) zijn van elkaar gescheiden door een wand (septum). Het hart heeft een eigen bloedvoorziening via de kranscirculatie (coronaircirculatie). Het hart is de pomp van een dubbel circulatie- systeem (lichaams- en longcirculatie).
2. Het prikkelgeleidingsysteem
Autoritme onder invloed van het zenuwstelsel (nervus vagus vertragend en nervus accelerans versnellend. De ‘pacemaker’ zit op de wand van het rechter atrium (sinusknoop). Prikkelgeleiding en prikkelversterking over de hele hartspier van de ventrikels verloopt via de bundel van His en de vezeltjes van Purkinje.
3. Diastole – systole
Bloeddruk (norm bovendruk 100 + leeftijd, onderdruk 70-90 mm Hg).
Tijdens inspanning stijgt de bovendruk, de onderdruk doet dat niet. De systolische bloeddruk is de hoogste en die noemen we de bovendruk. De diastolische noemen we ook de onderdruk.
4. Frequentie
De rustpols is afhankelijk van trainingstoestand, sekse, gewicht en gezondheid, en ligt tussen de 40 en 60 slagen per minuut.
5. Slagvolume
Dit is de hoeveelheid bloed die door de linker hartkamer in de circulatie wordt gepompt, variërend van 50-100 ml ongetraind en in rust, tot 100-120 ml getraind. Bij inspanning loopt deze op tot waarden in de buurt van 200 ml per slag.
6. Hartminuutvolume (HMV)
Frequentie x slagvolume in rust 5 a 6 liter per minuut; hij inspanning 20 à 30 liter.
Contractiekracht en prestatie van het hart hangt af van leeftijd sekse, aanleg, gezondheid en trainingstoestand. Bij getrainden kan het HMV tijdens belasting oplopen tot 5 à 6 maal het rustniveau.
7. Invloed van het autonome zenuwstelsel op de functie van het hart (zie prikkelgeleiding).
8. Bloedvoorziening van het hartweefsel (zie bouw van het hart).
9. Uitwisseling van stoffen tussen bloedvaten en intersti- tiële ruimte.
Homeostase is het constant houden van het milieu interieur, transport van opgeloste stoffen (voedings- stoffen en afvalstoffen) in twee richtingen door een membraanwand onder invloed van druk- en zuigkrach- ten. Dergelijk membraantransport geschiedt op basis van zowel de bloed- druk als filtratiedruk door poriën in de bloedvatwanden, en op basis van diffusie en osmose door de semi-permeabele celwanden.
10. Regulatie bloedverspreidingssysteem (arteriën – arteriolen – capillairen – venen).
Dit is afhankelijk van de activiteit van het individu. Tijdens hardlopen zit er veel bloed in de beenvaten en minder in het spijsverteringsgebied. De regeling hiervan gebeurt via vasoconstrictie en vasodilatatie van de arteriolen waardoor de capillairbedden meer of minder gevuld worden.
11. Bouw en eigenschappen (functie) van grote arteriën, kleine arteriën, arteriolen, capillairen en venulen.
Een arterie heeft elastische wanden. De kleinere arteriën heten arteriolen of weerstandsvaten (vaten die kunnen verwijden en vernauwen) en daardoor veel of weinig bloed kunnen bevatten. Capillairen of haarvaten vormen het stroombed waarin uitwisseling van stoffen plaatsvindt. De wand van de capillairen bevat glad spierweefsel waardoor ze kunnen verwijden of vernau- wen en daardoor dus evenals de arteriolen veel of weinig bloed zullen bevatten. Venen zijn de aderen die het bloed naar het hart terug voeren. Venulae zijn de kleinere aderen.
12. Factoren kunnen noemen die de terugstroom van het bloed beïnvloeden.
13. De spierpomp.
14. Het klepmechanisme in de aderen.
15. De aanzuigende werking van het hart.
16. De kracht (persdruk) van het hart op de arteriën.
17. De negatieve druk in de thorax tijdens inademing.

LES 11 - BLOED en LYMFE

Onderstaande onderdelen kunnen verklaren:

1. Functies van het bloed
Transportmedium, (aanvoer van zuurstof, voedings- middelen, hormonen enzovoort, en afvoer van afval- stoffen zoals onder andere warmte en koolzuurgas). Bloed speelt een rol bij de afweer (leukocyten en lymfocyten) en bij bloedstolling (trombocyten).
2. Volume en samenstelling
Volume 7,5% van het lichaamsgewicht, samenstelling 60% plasma en 40% vaste delen zoals bloedcellen
(erytrocyten, leukocyten, trombocyten met ieder hun eigen functie, in het bijzonder de functie van ijzer voor de erytrocyten).
3. Bescherming en het principe van stolling en antistoffen
Stolling bij een wond komt deels door vaatkramp en deels door stolselvorming tot stand (trombocyten, fibrinedraden, vitamine K).
4. Bloedcellen (geen leeftijd en aantallen, zie volume en samenstelling).
5. Bloedplasma (bloed zonder bloedcellen).
6. Bloedeiwitten in relatie tot de colloïd-osmotische druk
Colloïden zijn eiwitten, het bloed bevat bepaalde eiwitten die verantwoordelijk zijn voor de osmotische zuigkracht waardoor vocht zich door de celwand kan verplaatsen naar een gebied waar de eiwitconcentratie hoger is. Hierdoor wordt de homeostase hersteld in een weefsel.
7. Samenstelling weefselvocht
Constantheid van samenstelling (homeostase) is het streven van het systeem. Door activiteiten ontstaan voortdurend veranderingen op celniveau. Deze worden waargenomen door ons vegetatieve zenuwstelsel
(dorstgevoel). Samen met het hormoonstelsel
onderneemt het vegetatieve systeem acties om het even- wicht te herstellen.
8. Functie lymfe en lymfesysteem
Lymfe is een vrij heldere vloeistof die stroomt in lymfevaatjes die als capillairen beginnen in de weefsel- spleten en darmvlokken. Het is een met de aderen te vergelijken (kleppen) afvoersysteem voor voedselresten die niet door het bloedvaatstelsel worden afgevoerd. Bijvoorbeeld voor vocht dat zich na een trauma in het weefsel ophoopt of voor een teveel aan eiwitten. Vanuit de darmvlokken worden vetten vervoerd. De lymfevaten vormen steeds grotere vaten die uiteindelijk uitmonden via onder andere de ductus thoracicus in het aderlijke systeem ter hoogte van het sleutelbeen. Daarnaast speelt het een rol bij de afweer tegen binnengedrongen infectieuze micro-organismen. Het systeem bevat hiervoor knopen of klieren op bepaalde kritieke plaatsen van het lichaam waar zich lymfatisch weefsel bevindt met lymfocyten.

LES 12 - ADEMHALING

De volgende onderdelen kunnen beschrijven:

1. De volgende delen van het luchtwegkanaal en in grote lijnen de functies ervan:
- strottenhoofd (stembanden);
- neusholte (ruiken, bevochtigen, afweer, stoffilter);
- keelholte (slikken, strottenklepje, buis van Eustachius);
- luchtpijp (slijmvlies, kraakbeenringen);
- bronchiën, bronchioli, alveoli;
- longkwabben, pleurabladen (borstvlies en longvlies);
- gaswisseling, in- en uitademingslucht;
- dode ruimte, geen ventilatieoppervlak, wel luchtmenging;
- longen, de ligging en de bouw:
- thorax;
- middenrif;
- twee, respectievelijk drie kwabben;
- mechanische ademhalingsbewegingen;
- diafragma;
- tussenribspieren, buikspieren en hulpademhalingsspieren;
- inademing actief, uitademing passief.
2. Longvolumina:-
- inspiratoir reservevolume;
- expiratoir reservevolume;
- ademteug;
- residu;
- vitale capaciteit;
- begrip 1-secondewaarde.
3. Frequentie - ademminuutvolume:
- volwassenen 12 tot 14 maal per minuut = 5-10 liter lucht.
4. Gaswisselingsproces (luchtsamenstelling):
- inademingslucht 20,9% zuurstof, uitademingslucht 14,5% zuurstof;
- stikstof blijft onveranderd 79%, waterdamp afhankelijk van de vochtigheid van de lucht.
5. Regulatie ademhaling, ademcentrum in de hersenstam, nervus vagus.
6.
De aanpassing van de ademhaling, via de chemoreceptoren, tijdens inspanning, meer CO2 is prikkel voor het ademcentrum.

LES 13 - UITSCHEIDING

De volgende onderdelen kunnen beschrijven:

1. bouw (macroscopisch) en ligging van de nieren.
Boonvormige organen dorsaal boven in de buikholte aan weerszijden van de wervelkolom. Nierschors, merg en bekken, ure-ter, blaas, urethra.
2. functie - waterhuishouding via de nieren - urinewegen.
Nefronen als filterorgaantjes van het bloed, afvalstof en overmaat aan vocht = urine, ongeveer 1,5 liter per etmaal.
3. de aanpassing van de algemene waterhuishouding.
De mens bestaat voor 2/3 deel uit water (bloed-, weefsel- en celvocht, urine, zweet). Water dient als oplosmiddel, het speelt een rol bij het constant houden van de temperatuur. Vochtverlies bij inspanning is afhankelijk van de temperatuur, luchtvochtigheid, duur en intensiteit van de inspanning en kleding. Bij langdurige inspanning (> 4 uur) ontstaat ook verlies van mineralen. Men moet drinken voordat dorstgevoel ontstaat. 1% vochtverlies heeft al een negatief effect op de prestatie. Meer dan 6% vochtverlies geeft al uitdrogingsgevaar (coma).

LES 14 - DE HUID

De volgende onderdelen kunnen beschrijven:

1. De bouw van de huid (epidermis, corium, subcutis):
de vijf lagen van de epidermis, waarvan de buitenste een hoornlaag van dode cellen en de onderste drie lagen levende cellen; cellen worden vervangen door afschilfering;
lederhuid of corium bestaat uit een bindweefsel- netwerk met capillairen, zenuwen, receptoren en klieren (zweet en talg), waardoor een soepele huid ontstaat; oudere huid heeft minder vochtbindend vermogen, minder elastische en meer collage-ne vezels (rimpels).
2. Nagels, haren en spieren:
de nagel dient ter bescherming van de gevoelige vingertoppen; tegendruk bij pincetgreep;
haargroei tot bepaalde lengte, dan uitval (hoofdhaar wordt het langst);
haaruitval niet synchroon waardoor geen kale plekken, behoudens leeftijd en aanleg; de huid bevat dwars- gestreepte spieren voor de mimiek en gladde spieren voor huidrimpeling bij koude (contractie van haarspiertjes).
3. Huidfuncties:
sensoriek, zweetregulatie (warmtehuishouding),
emotionele uitingen (blozen), bescherming (afweer- systeem via onder andere mestcellen met histamine en aanwezigheid van afweercellen als lymfocyten) en stootopvang of buffer tegen binnendringen van bacteriën en chemische stoffen, pijnregistratie, huid- ademhaling, vorming vitamine D;
mede bepalend voor de lichaamscontouren (onder- huids vetweefsel).
4. De algemene aanpassing van de waterhuishouding en warmteregulatie tijdens inspanning.

LES 15 - ZENUWSTELSEL

De indeling en functie te kunnen beschrijven van:

1. Het animale zenuwstelsel:
functies die de cel in staat stelt gericht op veran- deringen te reageren (prikkelbaarheid, prikkelgeleiding en -beweging;
2. Het centraal zenuwstelsel:
(het deel van het zenuwstelsel dat zich bevindt binnen de schedel en het wervelkanaal).;
3. Het perifeer zenuwstelsel:
(12 paar hersenzenuwen en 32 paar ruggenmergs- zenuwen).
4. Het vegetatief zenuwstelsel:
(autonoom of onwillekeurig werkend deel van het zenuwstelsel).;
5. (Ortho)sympatisch zenuwstelsel:
(antagonist van de parasympaticus, over het alge- meen zet dit systeem organen aan tot toename van activiteit);
6. Parasympatisch zenuwstelsel:
(antagonist van de sympaticus met voornamelijk een dempende functie op orgaanactiviteit).
Anatomisch bekeken hebben beide systemen een centraal en een perifeer deel. Hun werking beïnvloedt alle onwillekeurige organen. Hun taak is bewaking van het milieu interieur. De nervus vagus (10e hersenzenuw) is de bekendste perifere zenuw van het parasympatische systeem. Hij bedient de meeste organen in de hals, thorax en buik.
7. Reflexmechanisme op ruggenmergniveau:
reflexboog van een peesreflex (van peeslichaampje of spierspoeltje via achter- naar voorhoorn van het ruggenmerg, het motorische eindplaatje en de spiercontractie).
8. Monosynaptisch (i.v.m. reflexsnelheid).
9. Multisynaptisch (tragere respons).
10. Myotatische reflex (in relatie tot het bewaken van de lichaamshouding).
11. Hersenen (cerebrum, cerebellum, truncus cerebri, medulla spinalis):
functie van de hersenschors in relatie tot wille- keurige bewegingen;
functie van het cerebellum in relatie tot spiertonus- regulatie, evenwicht en coördinatie;
hersenstam als zetel van vitale centra (o.a. adem- centrum);
medulla spinalis als reflexverwerkend orgaan (geleidingsbanen).
12. Omhulling van het centraal zenuwstelsel:
van binnen naar buiten: het weke hersenvlies, het spinnenwebvlies (tussen deze twee vliezen het hersenvocht of liquor spinalis), en het harde hersenvlies. Zowel het ruggenmerg als de hersenen hebben holten waarin het liquor stroomt.

Les 16 - HORMOONSTELSEL

1. De functies van hormonen en hun onderlinge relatie kunnen noemen:
de hypofyse als regulator (meesterklier) die invloed heeft op vrijwel alle andere hormoonklieren;
hun relatie met het zenuwstelsel:
het zenuwstelsel werkt snel maar kort, het hormoon werkt traag, maar langduriger.
2. Summier de herkomst en de functie in relatie tot inspanning kunnen verklaren van:
adrenaline (bijniermerg), dat alle sympatisch aangestuurde lichaamsfuncties stimuleert;
noradrenaline (bijniermerg), dat vooral invloed heeft op de bloeddruk;
insuline (pancreas, eilandjes van Langerhans, hormoon), dat de bloedsuiker verlaagt doordat het de glucoseopslag in de vorm van glycogeen bevordert;
glucagon, dat als antagonist van insuline werkt;
thyroxine (schildklierhormoon), dat de stofwisseling stimuleert;
bijnierschorshormonen (corticosteroïden), die de stofwisseling en de waterhuishouding beïnvloeden, en ontstekingsreacties remmen;
geslachtshormonen, waarvan u androgeen en oestrogeen moet kunnen noemen.

LES 17 - INSPANNINGSFYSIOLOGIE

Onderstaande zaken kunnen beschrijven, waardoor training en trainingsleer beter begrepen kunnen worden:

1. Functionele veranderingen op korte termijn
Vermoeidheid door afname van energievoorraden (fosfaatverbindingen en glycogeen), vocht en mineralen. Ophoping van afvalstoffen (melkzuur) en weefselbelasting.
Deze afvalstoffen geven de prikkel tot herstel en weefselaanpassing als verbetering ATP-CP-systeem, toename glycogeen-voorraden, enzymactiviteiten en melkzuurtolerantie.
2. Functionele veranderingen op lange termijn
Aanpassingen cardiorespiratoir systeem. Groter hart, lagere slagfrequentie, groter slagvolume, toename bloedvolume, toe-name hemoglobine, skelet- en spierhypertrofie, toename bewegingsvaardigheid (techniek) en reactievermogen.
3. Aanpassing belastbaarheid - belasting
Afhankelijk van juiste trainingsprikkel, overbelasting geeft weefselbeschadiging, onderbelasting heeft geen trainingseffecten.
4. Aanpassing van het circulatiesysteem
Hypertrofie hart (meer spierweefsel). Bij duursporters gaat dit gepaard met een groter ventrikelvolume. Bij de diastole meer bloedvulling van de ventrikel, waardoor groter slagvolume. Bij krachttraining geen groter ventrikelvolume, maar wel een dikkere ventrikelwand. Beide vormen van training leiden tot betere bloedvoorziening van het hart zelf.
5. Verandering in de bloedverdeling (zie bloedvaten).
6. Verhouding mechanische energie en warmte-energie (zie assimilatie).

LES 18 - TRAININGSLEER

Onderstaande onderdelen kunnen verklaren:

1. Trainingsintensiteit
Duurtraining leidt tot aërobe aanpassingen in de spier, tot toename van myoglobine, opslagvermogen voor glycogeen, tot toename van mitochondriën en enzymactiviteiten. Spierhypertrofie is wel aanwezig, maar minder zichtbaar dan bij kracht-training. Zie verder bij hypertrofie van het hart.
2. Trainingseffect - supercompensatie - overload
Sneller herstelvermogen na inspanning, verlaging cholesterolspiegel, efficiëntere warmteafgifte, toename longventilatievermogen, normalisatie bloeddruk, hypertrofie botweefsel en betere trekvastheid van ligamenten.
3. Overtraining: symptomen, oorzaken en maatregelen
Sneller vermoeid, trager, spierklachten, hogere rustpols, minder eetlust, slaapstoornissen enzovoort.
4. Aandeel masseur in voorbereidingsperiode, training en wedstrijd, trainingsvrije periode, en na wedstrijd en training.
Vroegdiagnostiek door waarnemen van veranderingen in spierweefsel en luisteren naar signalen via gesprek met sporter tijdens massage. Bewaken arbeid-rustver- houding en andere factoren die invloed hebben op prestatievermogen en herstel.
5. Effect op de musculatuur en het organisme
Trainingsopbouw, frequentie, specifieke oefenstof, ontspanningsoefeningen, normaliserende oefeningen waaronder rek-oefeningen (stretching). Doelgerichte massages en trainingsvervangende activiteiten (zoals sauna en dergelijke).
6. Algemeen uithoudingsvermogen (steady state)
Bij langdurige belasting evenwicht tussen prestatie en herstel (aërobe synthese van ATP).
7. Lokaal uithoudingsvermogen
Afhankelijk van circulatie, myoglobinegehalte enzo- voort, in relatie tot de inspanning. Sportspecifieke aanpassingen.
8. Conditiebepalende factoren
Cardiovasculaire aanpassingen en gezondheid van overige organen, inclusief de spieren.
9. Warming-up/cooling-down, als preventie tegen lokale spierblessures en voor herstelbevordering.
10. Fysiologische aanpassingen (zie voorafgaande).
11. Hartfrequentie.
12. Longfunctie.
13. Warmteregulatie.
14. Zenuwstelsel/coördinatie.
15. Spier/peesapparaat.
16. Opbouw.
17. Herstelbevorderende maatregelen.
Waaronder massage en trainingsvervangende prikkels.

Les 19 - THEORIE SPORTMASSAGE

Men moet in staat zijn om:
- te vertellen waar uit de sportmassage ontstaan is.
- de belangrijkste wetenschappelijke verklaringen (4) te kunnen geven.
- enkele weefselprikkelstoffen kunnen noemen.
- lokale en algehele invloeden van de massage te kunnen noemen.
- de invloed van de verschillende massagehandgrepen kunnen verklaren
- te kunnen noemen welke factoren speciale aandacht krijgen bij het onderzoek vooraf.
- de absolute- en relatieve contra-indicaties kunnen noemen.
- criteria voor de uitgangshouding kunnen noemen.
- de minimale eisen kunnen noemen waar de massage ruimte aan moet voldoen.
- de criteria kunnen noemen waar de massagetussenstof aan moet voldoen.

LES 20 - EHB(S)O - VERZORGING

Men moet in staat zijn om:
- de stoornissen in de algemene toestand te herkennen (verschijnselen).
- deze zijn stoornissen zijn: bewusteloosheid, shock, hersenschudding, hersenkneuzing, schijndood, hyperven- tilatie, warmtebevanging, zonnesteek, flauwte en onderkoeling.
- maatregelen te kunnen nemen bij de stoornissen in de algemene toestand.
- hartreanimatie kunnen toepassen (in het bezit zijn van een geldig reanimatiecertificaat).
- stoornissen van lokale aard te kunnen herkennen en behandelen. aderlijke en slagaderlijke bloedingen te kunnen behandelen. schaaf- en snijwonden te kunnen behandelen. het verbandmateriaal en de verbanden te noemen, die bij de wondbehandeling gebruikt worden.
- de verschillende vormen van spier/peesletsels kunnen noemen en verklaren.

LES 21 - SPORTHYGIËNE en  TYPOLOGIE

Inzicht hebben in de sportgezondheid beïnvloedende factoren.
Microbiele hygiëne:
- infectieoverdracht;
- ontstekingsreactie;
- desinfectantia.

Kleding:
Algehele kennis van:
- ventilatie;
- absorptiefactoren;
- warmte-afgifte;
- wedstrijdkleding versus trainingskleding;
- bescherming (contactsporten);
- onderhoud/verzorging;
- schoeisel in relatie tot ondergrond.

Materialen:
- inzicht in risicofactoren van de materialen die in de meest voorkomende sporten gebruikt worden;

Klimaatinvloeden:
- aanpassing aan extreme warmte/koude;
- relatie tot warming-up/cooling-down;
- kleed- en verzorgingsruimte in relatie tot de buitentemperatuur;

Gewicht en voeding:
- verhouding nutrienten afgestemd op de activiteit, intensiteit en lichaamsgewicht;
- vochtinname voor, tijdens en na de sportbeoefening;
- verdeling van voeding gedurende de dag;
- voedsel op wedstrijd en trainingsdagen;
- voedsel in een trainingsvrije periode;

Doping:
- voor- en nadelen.

Typologie:
- Typologie van Kretschmer.
- Typologie van Sheldon.
- "Typologie” van Tanner.
- de typen leptosoom, picnisch en atletisch kunnen verklaren.
- de typen ectomorf, endomorf en mesomorf kunnen verklaren.

LES 22 - ALGEMEEN FUNCTIEONDERZOEK

Men moet in staat zijn om:
- de belangrijke punten uit het functieonderzoek te noemen.
- een anamnese op te stellen.
- de punten op te noemen waarop gelet wordt bij een algehele inspectie.
- een algehele inspectie uit te voeren.
- de testen te noemen voor het algemene functieonderzoek en deze uit te voeren.

LES 23 - FUNCTIEONDERZOEK van de BOVENSTE EXTREMITEIT

Men moet in staat zijn om:
- punten die be;langrijk zijn voor het functieonderzoek van de bovenste extremiteit te noemen.
- het functieonderzoek kunnen uitvoeren van:
- het schoudergewricht;
- het ellebooggewricht;
- het polsgewricht;
- de duim.

LES 24 - FUNCTIEONDERZOEK van de ONDERSTE EXTREMITEIT

Men moet in staat zijn om:
- punten die be;langrijk zijn voor het functieonderzoek van de ondersteextremiteit te noemen.
- het functieonderzoek kunnen uitvoeren van:
- het heupgewricht;
- het kniegewricht;
- het enkelgewricht.

LES 25 t/m 29- PRAKTIJK MASSAGE

Men moet in staat zijn om:
- een anamnese af te nemen;
- een inspectie uit te voeren van het gehele lichaam (statiek) en van de rug, de schoudergordel, de bovenste extremiteitin en het been;
- palpatie van het onderdeel dat gemasseerd moet worden;
- een massage van het te masseren onderdeel te geven, waarbij techniek, volgorde en opbouw belangrijk zijn.

LES 30 - THEORIE BANDAGEREN

Het doel van tapen en bandageren is de belastbaarheid aanpassen aan de belasting. Als deze leerstof bestudeerd is, moet men in staat zijn om:
- Op basis van de anatomische kennis in staat zijn de bewegingen van gewrichten en spieren te analyseren.
- Op basis van het functieonderzoek kunnen besluiten welke beweging in een gewricht moet worden
geremd c.q ondersteund.
- Op basis van het functieonderzoek kunnen besluiten welke beweging in een spier(groep) moet worden geremd c.q ondersteund.

De verklaringen te geven waarop de werking van een bandage berust, zoals:
-Mechanisch;
- Reflectoir;
- Psychogeen.

Op basis van het functieonderzoek kunnen besluiten welk materiaal moet worden gebruikt om het
gewenste doel te bereiken.

Inzicht hebben in de contra-indicaties.

LES 31 - TAPEN en BANDAGEREN (praktijk)

Leerdoelen

Men moet preventieve bandages aan kunnen leggen en op zijn functionaliteit kunnen testen van de volgende onderdelen:

Gewrichten

Enkel
- Algehele ondersteuning bij aspecifiek functieverlies;
- Remming inversie en eversie;

Knie
- Totale ondersteuning van de lig. collateralia;
- Remming hyperextensie.

Elleboog
- Remming hyperextensie;

Pols
- Remming palmairflexie;
- Remming dorsaalflexie.

Duim
- Remming opponeren;
- Remming reponeren;
- Remming abductie.

Vingers
- Remming hyperextensie van de kootjes en de basisgewrichten;
- Remming van het spreiden van twee of meer vingers.

Spieren
Ondersteunend en ontlastend:
- m. biceps brachii;
- m. triceps brachii;
- m. triceps surae;
- m. hamstrings;
- m. quadriceps femoris;
- mm. adductoren.

Les 32 Kwaliteitszorg

Les 33 Examen sportmassage - assessment