Gelderse Opleiding voor Sportmassage
 

 

"Gecontroleerde Medische krachttraining"

Trainingsfysiologisch gezien kan men de afzonderlijke spier niet als ’n eenheid beschouwen. Exact genomen geeft een oefening uiteindelijk in iedere gewrichtshoek, waarin de spier sterk wordt belast, een toename van kracht. Dit houdt in dat men in de ADL bezigheden een veranderde “onechte” krachtcurve laat zien. Het verloop hiervan is met betrekking tot de belastingen waar het lichaam mee geconfronteerd wordt verschillend.
In het algemeen kan men stellen. De zwakte van de spier – en daarmee de reserves om in kracht te groeien – ligt hoofdzakelijk aan het einde van de contractie.
De reden hiervoor is, dat bijna alle trainingsbelastingen in beroep en sport dit gebied nauwelijks bereiken. De krachtscurven van een persoon geven een duidelijk beeld, waar de kracht achter blijft.
Een overeenkomstig onderzoek uitgevoerd bij een rugpatiënt geeft de arts een indicatie, in welke bewegingshoek zich in zijn geval een krachtsdeficit bevindt. Als iemand zijn krachtsverloop corrigeert, brengt hij zijn bewegingsapparaat in orde. Dit is niet alleen met “een beetje beweging” mogelijk. Krachtsapparatuur biedt hierbij enorm veel mogelijkheden.

  Graf_biceps
De onderste curve laat de spierspanning zien   gedurende een halteroefening, de bovenste de spanning die nodig is opdat de spier bij elke lengte (in elke bewegingshoek) getraind wordt.









Spierkracht
Bij gecontroleerde krachttraining wordt uitgegaan van de maximale kracht van de spier. De maximale kracht van de spier correspondeert met de maximale spanning die de spier ontwikkelen kan. Er wordt vaak gebruik gemaakt van de volgende contracties: isometrisch (statisch), dynamisch-concentrisch (positief - overwinnende kracht), dynamisch-excentrisch (negatief - toegevende - of remmende kracht). De volgende proef maakt duidelijk dat het bij de begrippen isometrische, concentrische en excentrische kracht het steeds om dezelfde “kracht” gaat. De test wordt uitgevoerd op de strekkers van het onderbeen (m. quadriceps ). Het testapparaat met bewegingsarm is gekoppeld aan een servosysteem, dat de arm in een langzaam tempo op en neer beweegt. De proefpersoon probeert de arm in opwaartse richting te versnellen en bij de neerwaartse beweging te remmen. Hierbij werken dus dezelfde spieren achtereenvolgens concentrisch en excentrisch. In de arm zijn rekstrookjes aangebracht waarmee nauwkeurig de kracht gemeten wordt. Bij de concentrische beweging moeten de spieren niet alleen de uitwendige weerstand overwinnen doch ook haar inwendige wrijving. Bij de excentrische beweging helpt (remt) deze inwendige wrijving de spier. Het is daarom dan ook, dat excentrisch met een groter gewicht gewerkt kan worden dan concentrisch. De statische kracht (zie grafiek) ligt in het midden tussen de excentrische en de concentrische. Als de vermoeidheid toeneemt wordt ook de inwendige wrijving groter. Het is daarom dan ook, dat dynamische bewegingen minder betrouwbaar zijn. Bruikbare meetresultaten voor zowel wetenschappelijke als medische doeleinden voert men meestal uit met statische metingen. Op de kracht van een spier heb je invloed door training, op de coördinatie door oefening van bewegingspatronen.

  Graf_knie_ex  
  Het krachtsverloop bij drie belastingsvormen is identiek:
- statisch - balkendiagram;
- concentrisch - onderste (bruine) curve;
- excentrisch - bovenste (groene curve).
De verschillen in kracht hangen af van de inwendige "wrijving" (weerstand) die overwonnen moet worden bij een concentrisch kracht of die "meewerkt" bij een excentrische kracht.

Principe gecontroleerde krachttraining
De gecontroleerde krachttraining is anaëroob lactisch en wordt uitgevoerd totdat een spiergroep dusdanig verzuurd is, dat geen herhaling meer uitgevoerd kan worden. Een trainingseenheid duurt 60-90 seconden en bestaat uit 6-9 herhalingen, waarbij elke herhaling langzaam uitgevoerd wordt met een frequentie van 4 seconden voor de concentrische fase, 2 seconden pauze in een volledige contractie (isometrisch) en weer 4 seconden voor de excentrische fase.
Er kan dus een gewicht gekozen worden, waarbij men in 60 s. 6 herhalingen kan uitvoeren of een gewicht waarbij men in 90 s 9 herhalingen kan uitvoeren. Het is niet de bedoeling dat de frequentie verhoogd wordt, want dit gaat ten koste van de technische uitvoering en geeft daarmee een minder effect van de training.
De spieren die een bepaalde beweging uitvoeren, worden geïsoleerd getraind. De instelling van een machine is dusdanig dat de gewrichtsas en het draaipunt van de bewegingsarm overeenstemmen.
Indien het aantal herhalingen boven genoemde getallen uitstijgt, dan wordt een volgende keer een gewicht gekozen dat 5% hoger ligt. Wordt het aantal herhalingen niet gehaald, dan kiest men een gewicht dat 5% lager ligt.
Met een toename van de trainingsvoortgang wordt de bandbreedte van de dosis van de belasting, die effect sorteert, echter enger. De genetisch bepaalde verschillen in de spieren worden duidelijker zichtbaar en er moet geleidelijk aan rekening worden gehouden om de dosis van de training af te stemmen op het dominante vezeltype.
Voor 6 van de 10 personen ligt de werkzame prikkel aanspanningstijd tussen 60 en 90 seconden. Voor ongeveer 3 van de 10 op basis van hun vezeltypering (fast-twitch) tussen 40 en 60 seconden. 1 op de 10 personen behoort het uithoudingsvermogen type, die overwegend beschikken over Slow-twitchvezels en dienovereenkomstig een langere aanspanningstijd nodig hebben.

Wat houdt dit in voor de planning van de training? In het begin niet veel, omdat het spectrum waarbinnen de spieren reageren nog tamelijk breed is. Eerst dan wanneer de spierkracht aanzienlijk gestegen is, moet men meer individueel trainen. Dit tijdstip neemt men meestal waar, wanneer men gedurende enkele weken geen toename van spierkracht meer ervaart. Op dit moment moet een deskundige trainer een spiervezeltest uitvoeren.
Wanneer een trainingseenheid goed wordt uitgevoerd, dan is het niet nodig om deze te herhalen, want dit brengt geen extra winst aan spierkracht, doch dit vormt een overvloedige belasting van het zenuwstelsel. Ofschoon dit feit al meer dan 30 jaar uit onderzoeksresultaten duidelijk blijkt, wordt door velen nog meerdere sets in een trainingseenheid uitgevoerd. Iemand die een oefening goed uitvoert, is niet in staat om deze onmiddellijk er na weer uit te voeren.

Wanneer men b.v. uitsluitend de benen traint, dan kan men geleidelijk ook een krachttoename in de spieren van de romp vaststellen. Dit feit is natuurlijk minder alsook de spieren van de romp getraind worden. Maar het effect is er. Het doet zich echter slechts voor wanneer grote spiergroepen van heup en benen getraind worden. Nieuwe studies laten een aanzienlijke stijging van het testosterongehalte zien na een training, wanneer men tegelijkertijd grote spiergroepen met zware lasten traint, dan wanneer men slechts kleine spiergroepen traint. Daarom stelt men een logische volgorde voor om spiergroepen te trainen.
Eerst de grote spiergroepen:



Gluteaalmusculatuur, bovenbeen-, buik- en lage rugspieren;
Vervolgens de kleine:
  -

hoge rug-, borst- en schouderspieren. Spieren van de bovenarmen, van de hals alsook de onderbeen- en onderarmspieren.

Wanneer we dit betrekken op de gewrichten, dan is de volgorde:

1. Heupgewricht;
2. Kniegewricht;
3. Lumbale wervelkolom;
4. Schoudergewricht;
5. Halswervelkolom;
6. Ellebooggewricht;
7. Enkelgewricht;
8. Polsgewricht.

Wanneer men het trainingsprogramma van de gecontroleerde kracht volgt, waarbij men nagenoeg het gehele spiercorset traint, dan bestaat het programma uit 20 verschillende oefeningen. Men gaat van toestel naar toestel en er is nauwelijks pauze tussen de verschillende oefeningen.
gecontroleerde kracht gaat uit van krachttraining, waarbij wordt gewerkt met MedX apparatuur die ontwikkeld is door Arthur Jones - eerder ontwikkelaar van de Nautulus apparatuur. Zijn apparatuur hebben intrede in de medische wereld gedaan toen hij apparatuur ontwikkelde, waarmee het mogelijk was de lage rugspieren, lumbaalextensoren, geïsoleerd te testen en te trainen. Gedurende vele jaren heeft hij zich uitsluitend bezig gehouden met de therapeutische mogelijkheden van training bij lage rugproblematiek. Zijn apparatuur maakt gebruik van een excenter. Onderstaande figuur geeft de werking van een excenter weer.

Lage rugproblematiek
Zoals bekend worden veel mensen zo nu en dan geconfronteerd met lage rugproblematiek in welke vorm dan ook. 60-80% heeft zo af en toen wel eens problemen in deze regio, doch 20-30% hebben te kampen met chronisch lage rugpijn. De chronische lage rugpijn wordt de laatste 10 jaar meer en meer als een multidimensionaal syndroom gezien, waaraan verschillende oorzaken ten grondslag kunnen liggen, om er eens enkele te noemen; fysische- en psychische predispositie, persoonlijkheidsstructuur, socio-economische componenten e.a.
Chronische rugpijnen leiden veelal tot een aanzienlijke beperking van de levenskwaliteit van de betrokkene. Veel chronische rugklachten werden te vaak als zuiver psychogeen aangemerkt.
Reconditionering (= verbetering van het lichamelijke prestatievermogen, in het bijzonder de kracht en beweeglijkheid van o.a. het lage ruggebied) wordt in toenemende mate gezien als een beslissende pré-, postoperatieve of zelfs een operatie besparende behandelingsmodaliteit.
Chronische lage rugpatiënten vertonen veelal geatrofieerde paravertebrale lage rugmusculatuur, vooral de lumbale extensoren.
Bij veel lage rugpijnen treft men een segmentinstabiliteit aan. Elkaar opvolgende blokkaden van de facetgewrichtjes komen vaak voor (beschermingsmechanisme van de wervelkolom om de stabiliteit te herstellen). Hypermobiele en hypomobiele segmenten worden vaak tegelijkertijd aangetroffen. De pijn in een bewegingssegment leidt tot een reflectoire remming van de spier met een verlies aan kracht, uithoudings- en coördinatief vermogen. Verder kunnen musculaire dysbalansen ontstaan, die een afwijking in de statiek teweeg brengen.
Het klassieke afwijkingspatroon van een patiënt met chronische lage rugklachten is een voorover gekanteld bekken met insufficiënte extensoren van de wervelkolom waarbij deze spieren eveneens hypertoon zijn:

atrofie buikspieren en gluteaalmusculatuur;
verkorting van de iliopsoas en ischiocrurale musculatuur;


hypertonie van delen van de gluteaus maximus en medius, de piriformis en de tensor fasciae latae;


kyfose met scapula alata, door insufficiëntie van de spieren die de scapula fixeren ( o.a. serratus anterior,   trapezius, rhomboideus e.a.);

myogelosen of hypertonie in/van de nekschouderspieren.

De triggerpunten in de tendomyotisch hypertone spieren van de bekken- en nek-schouderlijnspieren stralen pijn (referred) in de extremiteiten. Dit geheel is o.a. door Brügger uitvoerig beschreven.
Omdat de laatste jaren in het bijzonder de zwakte van de lumbale extensoren als primaire factor voor lage rugpijn gezien wordt, moet het prestatievermogen van deze spieren onderzocht worden. Dit is belangrijk om voor het opstellen van een goed therapieprogramma.

Aanvullende therapiemaatregelen
Het is algemeen bekend, dat bij chronische lage rugpijn de totale rompmuscula-tuur verbeterd (getraind) moet worden.
De kracht van de lumbale extensoren kan gerekend worden tot de zwakste in de bewegingsketen, die de LWS stabiliseert. Daarom is versterking van deze spieren het belangrijkste doel van de therapie.
Zoals reeds vermeldt, hebben de “steunorganen” van de wervelkolom wezenlijk belang bij de stabilisatie van de bewegingssegmenten. In het bijzonder de buikspieren, gluteaalmusculatuur, ischiocrurale spieren, de laterale rompspieren alsook de borst- en schouderspieren moeten in het kader van een medisch trainingsprogramma volgens Gustavsen versterkt worden. Genoemde spiergroepen moeten met trainingsapparatuur versterkt worden, die de spieren geïsoleerd kunnen trainen met een variabele weerstand, zoals b.v. de Nautilus apparatuur of de MedX-exercise-Serie.
Oefentherapie (coördinatietraining,  rekkingsoefeningen, scholing van de lichaamshouding) kunnen noodzakelijk zijn, alsook passieve maatregelen voor regeneratie of pijnbestrijding bij hardnekkige probleemgevallen. De passieve maatregelen moeten tot het absolute minimum beperkt worden. Zij hebben met het eigenlijke doel van de therapie - functieverbetering van de wervelkolom slechts indirect te maken.
In de eerste 3 – 4 weken van een weerstandstraining wordt de toename van kracht hoofdzakelijk bewerkstelligd door een verbetering van de neurale rekrutering.

Uitvoering diagnostiek
Voor de uitvoering van een exacte diagnostiek moet de volgende voorwaarden worden vervuld:

1.

Door fixatie van het bekken moeten de lumbaalextensoren geïsoleerd getest worden;
2. Compensatie van de zwaartekracht (bovenlichaam);
3. Meting van spanning van de weke delen en de netto spierkracht;
4.

Isometrisch testen in de volledige bewegingsmogelijkheid (range of motion);
5. Spiervezeltypering door de uitputtingsreactie.

Voorbeeld
Bij het begin van de therapie wordt de “ist” en “soll” waarde bepaald. In dit voorbeeld is de patiënt een arts, 49 jaar oud en waterskister. Zij had gedurende vele jaren chronische rugpijn met uitstraling naar de onderste extremiteiten. Er werden 18 behandelingen uitgevoerd aan het "lumbar-extension-apparaat" van MedX. De patiënt is momenteel pijnvrij.

Procedure van de therapie

Therapie_5   Therapie_6
Interessant bij dit voorbeeld is het S-vormig verloop van de krachtscurve bij de eerste test. Het wijst rechtstreeks op de tak van sport van genoemde patiënt. Waterskiën belast en traint de lage rugspieren in het horizontale vlak, waarin de patiënt de grootste kracht vertoont. De rechte lijn erboven laat de “soll” waarde zien op dit krachtsniveau.   Krachtscurven aan het begin (beneden) en aan het einde van de therapie (boven). De totale kracht is aanzienlijk gestegen, de intramusculaire dysbalans is vergaand gecorrigeerd en de pijn is verdwenen.




Onderzoek arts
Indicatie/contraindicatie;
Therapieprogramma (1-2x/wk,12-18 sessies),
Phase 1
Apparaatinstelling en gewenning
Duur: 2-4 sessies
Isometrische test van de maximale kracht
Phase 2
Spieropbouw
Isometrische test
Afsluitend onderzoek arts
Vastlegging verdere procedures


Doel van de therapie

Verbetering van de functionaliteit door:
  - Vergroting van de kracht van de rugspieren
  - Verbetering van de beweeglijkheid van de wervelkolom
Pijnreductie
   
Resultaat van de therapie


80% van de patienten met chronische rugklachten hebben succes met de  therapie;


Lineaire correlatie tussen stijging van de kracht en succes van de therapie;


13 maanden na het einde van de therapie kon 90% van de patienten het resultaat van de  therapie vasthouden;


Het resultaat van de therapie is onafhankelijk van leeftijd, geslacht en diagnose.