Gelderse Opleiding voor Sportmassage
 

 

 

”SPECIFIEKE AANDOENINGEN”

Het Sacro-Iliacale gewricht (S/I gewricht)

Het overbrengen van krachten tussen romp en benen is voor het eerst in de jaren '90 genoemd. Het bekken bevindt zich op een belangrijk "kruispunt" voor het doorgeleiden van krachten. Om deze krachten goed over te brengen moeten de sacro-iliacale gewrichten (SIG) stabiel zijn, dat wil zeggen er mogen bij belasting niet te grote verschuivingen optreden.

  Kracht_bekken  
  Krachtenverdeling over de bekkenring  

Het gewricht is een nagenoeg onbeweeglijk gewricht (amphiartrose), d.w.z. er is weinig, maar toch wel duidelijk functionele beweging in mogelijk. Er zijn geen spieren, die het gewricht geïsoleerd kunnen bewegen. De gewrichtsvlakte ligt ver in het bekken. Het verloop komt bij benadering in het sagittale vlak. De randen van de gewrichtsvlakte zijn nauwelijks te palperen. Het gewrichtskraakbeen (verschillen van bouw en dikte) is bij het os sacrum hyalien kraakbeen en bij het os ilium vezelig kraakbeen. De gewrichtsvlakken zijn niet congruent. Het verloop van de gewrichtsspleet verandert steeds, zowel in het frontale- alsook in het sagittale vlak. Bij de beoordeling van het S/I gewricht h•ebben we te maken met 2 S/I-gewrichten en hun samenhang met de symfyse, waar de krachtlijnen van belasting en beweging bijeenkomen.

Door de vorm en de verticale stand van de gewrichtsvlakken lijken deze vlakken bij belasting langs elkaar te schuiven. Toch gebeurt dit niet door de aanwezigheid van:





richels en groeven op het gewrichtsoppervlak. We noemen dit vormsluiting. Op het moment dat er krachten over het bekken worden geleid, b.v. tijdens lopen, staan, zitten enz. grijpen deze richels en groeven in elkaar waardoor het gewricht stabieler wordt;


door spanning van banden en kapsel wordt er een compressie gegeven op beide SI gewrichten. We noemen dit krachtsluiting;



de krachtsluiting in het gewricht kan nog extra worden verhoogd door het aanspannen van specifieke spieren. De belangrijkste spieren zijn:

 

binnen de bekkenring: m. transversus abdominis en de bekkenbodem spieren;
 

van bekkenring naar de romp: m obliquus abdominis intemus en -extemus;
 


m. latissimus dorsi en m. erector trunci (diagonale vezels);
bullet van bekkenring naar femur: m. piriformis en m. gluteus maximus.

Bewegingen in het S/I-gewricht
Hierbij kan het os sacrum zich ten opzichte van het os ilium naar voren of naar achteren verplaatsen.
Dit gebeurt in feite om een frontale en transversale as ter hoogte van S2. Bij het naar het naar voren buigen wordt de symfyse iets uit elkaar gedrukt. Bij het naar achteren buigen worden de gewrichtsvlakken van het S/I-gewricht tegen elkaar geperst. De bewegingen worden op de eerste plaats geremd door het sterke bandapparaat.
Omdat we twee S/I-gewrichten hebben is ook een beweging mogelijk om een diagonaal verlopende as. Een eenzijdige verschuiving in een van de gewrichten geeft in het algemeen een verwringing in het bekken door een dysbalans van krachten.

De ligamenten van het S/I-gewricht
Het gewrichtskapsel is versterkt door stevige ligamenten, waarbij de dorsale bandstructuren het meest ontwikkeld zijn. De innervatie komt uit de lumbale en de bovenste sacrale segmenten. De ligamenten staan slechts kleine verschuivingen van de wervelkolom en het sacrum toe. De meeste stabilisatie van het os sacrum en van het lumbale gedeelte van de wervelkolom worden door een bepaald aantal ligamenten gegeven. Zij verankeren het os sacrum ten opzichte van het bekken en maken het tot een functionele eenheid en voorkomen bij het bewegen een achterover kantelen. Vanaf de buitenzijde stralen de vezels van de m. glutaeus max. uit in het gewrichtskapsel. Deze spier geeft als enige stabilisering bij een instabiel S/I-gewricht.

Bufferwerking
Er zijn autoren die van een bufferwerking van het SIG tussen de wervelkolom en de onderste extremiteiten spreken. De beweging moet niet zo zeer als eigenlijke translatie gezien worden doch meer een kompressie van een gedeelte van de omgeving van het gewricht met een gelijktijdige tegengestelde contractie. De bufferwerking moeten we zien binnen de rechtop gerichte stand van persoon en de vanuit deze stand inwerkende krachten op de bekkenring.

  Bew_SI  
  Nutatie van het os sacrum bij ventraalflexie  

Aan de ene kant werkt de een loodrechte kracht van het gewicht van de romp op dekplaat van S1. Dit gewicht bewerkstelligt een tegen-nutatie op de bodem, die door het bovenbeen op het pelvis door gegeven wordt. Daardoor wordt een door het sacrumnutatie tegenwerkende tegen-nutatie van het os coxa bewerkstelligt. Door de reactiekracht wordt het benige bekken aan de zijde van het standbeen naar boven bewogen, terwijl dit aan de andere zijde door het gewicht van het afhangende been naar beneden getrokken wordt.

a. tegennutatie os coxa;
b. tegennutatie os coxa;
c. reactiekracht bodem;
d. rompgewicht +
extremiteiten;
e. nutatie os sacrum;
f. ligament sacro-ischiadicum;
g. ligament sacro-tuberale








Nutatie  
     

Onder fysiologische omstandigheden zijn de overeenkomstige bandstructuren zo stevig, dat het nauwelijks tot een significante beweging komt. Desondanks is het duidelijk, hoe de tijdens de beweging constant wisselende krachtsverhoudingen continu de tendens hebben een reversibele bekkenverwringing te bewerkstelligen.
Door de eerdergenoemde krachten geïnduceerde bewegingstendens van het SIG met een nutatie van het os sacrum een tegen-nutatie van het os ilium verandert met iedere stap en vindt plaats aan de zijde van het standbeen. Het geheel wordt door een actieve spierfunctie ondersteund.
Op het moment van het allereerste bodemcontact (na de zwaaifase) hebben we te maken met een functionele activiteit van de m. glutaeus max. alsook van de ischiocrurale musculatuur. Door de anatomische lokalisatie van origo en insertio van deze spieren wordt de spina iliaca posterior superior enigszins naar achter bewogen. Dit correspondeert met de eerder beschreven tegen-nutatie.


a. aanvang steunfase
b. aanvang zwaaifase
c. m. glutaeus maximus
d. ischiocrurale spieren
e. m. iliopsoas
f. m. rectus femoris











Nut_lopen  
     

Voor wat betreft de zwaaifase van het andere been is hier vooral de m. iliopsoas en de m. rectus actief. Onder invloed van krachten die op het bekken werken neigt de homolaterale zijde van het bekken naar ventraal te roteren.
In beide S/I-gewrichten vindt zodoende tijdens het lopen een doorlopend dynamisch wisselwerking van microbewegingen plaats, waarbij het os sacrum zich in relatie tot het os ilium zich tegengesteld beweegt. Het bij deze bewegingen ontstane rotatiecomponent van het os sacrum verplaatst zich via de discus naar de 5e lumbale wervel.
In het geval, dat deze microbewegingen niet meer plaatsvinden, spreekt men van een blokkade van het S/I gewricht. Oorzaken hiervoor zijn divers.

Onderzoek

"Vorläuf"fenomeen
De onderzoeker plaatst de duimen op de linker en rechter spina iliaca posterior superior (SIPS). De proefpersoon buigt maximaal voorover. Aan de zijde waar de duim het meest omhoog gaat, kan een blokkade van het SI-gewricht het geval zijn (zie afbeelding).

  Vorlauf  

Om het SI-gewricht te onderzoeken op mobiliteit gaat de sporter op tafel liggen in buikligging. De onderzoeker plaats één hand op het os sacrum en de andere hand op het os ilium. Hij beweegt beide handen uit elkaar en bewerkstelligt op die manier een mobilisatie (translatie) in het gewricht. Dit wordt ook wel "spouwing (gapping)" genoemd. Deze test kan ook als mobilisatie van het SI-gewricht gebruikt worden.

  SI_gap  

Zoals reed eerder genoemd bevinden zich aan de dorsale zijde stevige ligamenten, die op de volgende manier getest kunnen worden:

Sacro_spin Ilio_lumb Sacro_tub
Test lig. sacro-spinale tevens kapsel rekking

Test lig. ilio-lumbale - tevens kapselrekking

Test lig. sacro-tuberale - tevens kapselrekking

Oefeningen SI-gewricht
Voor oefeningen en mobilisatie van het SI-gewricht raadpleeg dan de pagina:
Herstelbevorderende oefeningen bij lage rugklachten.
Lage rugklachten als gevolg van een SI-blokkade
.